Categorieën
Grafiek Kathedraalse Leer

zwanzen tot het gezwans een feit is

Je hebt geen verlossing nodig om voortgang te hebben. Richting en beweging volstaan. Voortgang is jenzeits van goed en kwaad, dat kan net zo goed de afgrond in. Voortgang op zijn smalst is dan ook de humane vertekening van wat primair positief is, van natuurlijke groei. Economie als een soort psychose van het leven. Iemand met een beetje zwansneigingen kan daar wel wat mee aan.

Als je teveel naar voren kijkt, val je van het zichtbare af. Het verdraagbare zit in het zichtbare als een hermetische binnenband in een onbereikbare buitenband. Je kan de grens van het verdraagbare overschrijden, maar dan klapt de band & de fiets verandert in schroot. Het afzichtelijke en het weerzinwekkende zijn waarschuwingen voor het nakende falen van de waarneming, de koorts voor de ziel die de schroeizone nadert. De horror van het onbestemde, het niet-gedifferentiëerde. De waarneming kan daar niet door zonder op te houden waarneming te zijn, want ze kan enkel waarneming zijn binnen het waarneembare.

Het paradoxale is echter dat de waarneming werkt als waarneming net door ‘op te houden’ waarneming te zijn. Als je te weinig naar voren kijkt zie je helemaal niks meer. De interruptie bewerkstelligt het ‘doel’van de waarneming, het is de differentie die de waarneming in staat stelt het onderscheid te maken (‘faire la différence’).

Er is dus sprake van een ‘voortdurende horror’ waarvan de aanwezigheid de kracht wordt die het levensvatbare mogelijk maakt. De chora, het oer-onbestemde schrijft zich in elk systeem in als een pre-individueel continuum, dat nog altijd even weird is, als de voorstelling die Leibniz zich daarvan maakte. Leibniz dacht daarbij aan iets als het binnen van een elastische slijmbal, niet echt iets eetlustopwekkend. Ge moet echter niet dachten, ge moet denken. M.a.w. waarover je niet kan spreken, moet je zwijgen.
Maar het blijft herkenbaar, ook in onze hippe tijden. Het weirde van het ongedifferentiëerde verwijst immers naar het per definitie onbeschrijflijke buiten-menselijke, waarvan de realiteit op machinale manier (meer en meer) referentieerbaar wordt, en de referentialiteit wekt de schijn (simulatie) van vatbaarheid.

Maar de machinale referentieerbaarheid (indexeerbaarheid van het buiten-menselijke) en de simulatie gaat op haar beurt een eigen leven leiden, als het via recursieve stappen verder ‘terrein’ boekt, en de recursie het afval creëert dat een zeker bewustzijn als bijverschijnsel mogelijk maakt. Op die manier bewerkstelligt het verlangen naar een aanwezigheid een referentieerbare aanwezigheid die het falen van de waarneming verbergt door materialisaties van het virtuele.

De code begint ‘echt’ code te ‘schrijven’ in het buiten. De interieurs van treinen en bussen en andere ergonomische design zijn mee van de eerste materialisaties die de lus helpen leggen. Maar dat gaat traag, voorlopig, dat zijn ‘losse’ lussen nog, daar zit geen economische spankracht op. De stijgende energietekorten maken het vlug wel ‘spannender’.

Sneller maar minder tastbaar en lichtjes tragi-komisch wordt de sturing van processen de input van andere processen die de eerste processen in hun werking gaan beinvloeden tot er excessen zichtbaar worden: de wetmatigheden van de organisatie van een helpdesk voor een toepassing gebruikt de toepassing waarvan het de helpdesk is, totdat de toepassing zich op basis van de bedrijfsprocedures zodanig herschrijft dat de helpdesk de voornaamste bron van winst is en niet de oorspronkelijke toepassing.

Hier tekent zich binnen de virtuele ‘uitstulpingen’ van een losgeslagen rationalisatiedrang ( de degeneratie, het l’art pour l’art van de programmeerbaarheid?) de aloude ambiguiteit van het pharmakon af: het is daarbij niet zozeer hoe je het bekijkt dat maakt of het nu toxisch dan wel genezend is, het is eerder de intensiteit van de groei en de weerspannigheid van het buiten die maken of iets bloeit dan wel woekert.

Untsoweiter.

Geef een reactie